Home
Cursusaanbod
Contact
Nieuwsbrief

Inloggen
 

Vorige paginaDit artikel mailenGeschiedenisDit artikel printen

Leertheorieën

  1. Enkele leertheorieën die hun wortels vinden in de mythe van de geordende, voorspelbare samenleving
    1. Het behaviorisme
    2. Het cognitivisme
    3. De belangrijkste bijdragen van het behaviorisme en het cognitivisme
  2. Enkele leertheorieën die uitgaan van de mens in zijn sociale context.
    1. De handelingspsychologie
    2. Situationeel constructivistisch leren
  3. De metacognitieve leertheorie en regulatie van leerprocessen
  4. Het (sociaal) constructivisme

1. Enkele leertheorieën die hun wortels vinden in de mythe van de geordende, voorspelbare samenleving

Het behaviorisme en het cognitivisme beschouwden kennis en leren als het resultaat van ervaring in een stabiele en objectieve wereld. Deze leertheorieën domineerden de onderwijspsychologie in de jaren '40 tot '80. Generaties van ook nu nog actieve leraren zijn in deze tradities opgeleid en het is daarom niet verwonderlijk dat in veel onderwijsinstellingen het onderwijs nog steeds in belangrijke mate op de grondslagen van het behaviorisme en het cognitivisme is georganiseerd.

1.1 Het behaviorisme

De behavioristen concentreerden zich op het waarneembaar gedrag van dieren en mensen. Een strikte behaviorist als B.F. Skinner vond het zinloos te speculeren over de processen die plaats vonden in het brein. Belangrijk was alleen te constateren welke koppelingen er door de lerende werden gemaakt tussen elementen in de omgevingen ('stimuli') en gedragsantwoorden ('responses').

Het behaviorisme heeft een sterke invloed gehad op het schoolse leren. Omdat het zich niet bezig hield met de processen die zich afspeelden in het brein (de leerprocessen), maar zich vooral richtte op de resultaten van het leren, leidde dit tot een zeer productgerichte benadering van het onderwijs.

E. Thorndike (1913) was een van de vroege behavioristen. Hij ontdekte op basis van experimenten bij katten dat een handeling die gevolgd werd door een beloning of door het uitblijven van straf ging behoren tot het gedragsrepertoire van de katten. Met dit experiment legde hij de grondslag voor de operante conditionering. Dit concept werd verder uitgewerkt door B.F. Skinner (1950). Door wat hij een 'bekrachtiger' noemde werd gewenst gedrag aangeleerd. Een 'negatieve bekrachtiger' kon ongewenst gedrag afleren.
Het concept van positieve en negatieve bekrachtiging heeft grote invloed gehad op het schoolse leren. Omdat wij als onderwijsgevenden er slechts zelden in slagen om leerlingen tot plezier in leren te brengen (intrinsieke motivatie), passen wij de principes van operante conditionering uitgebreid toe. Wij controleren of zij hun huiswerk maken door het geven van overhoringen, wij nemen met grote regelmaat toetsen af. In ons systeem zijn toetsen slechts in beperkte mate een diagnostisch instrument. In veel gevallen dienen toetsen als stok die dreigend achter de hand wordt gehouden voor degenen die negatieve bekrachtiging nodig hebben wegens gebrekkige studie-ijver of als positieve bekrachtiger voor leerlingen die wel de nodige studie-ijver aan de dag leggen. Zonder dit systeem zouden er waarschijnlijk nauwelijks nog inspanningen door onze leerlingen of studenten worden verricht.

Een gevolg van het behavioristisch denken is ook de decontextualisering van de leerstof. Daar vooral het product (het leerdoel) telt, wordt kennis gefragmenteerd aangeboden. Omdat een docent geconfronteerd wordt met de eis dat leerlingen moeten kunnen worteltrekken, legt hij dit aan zijn klas uit, laat leerlingen er mee oefenen, toetst ze en als er niet al te veel onvoldoendes vallen, is hij tevreden en gaat hij verder met de leerstof. Dat de leerlingen niet weten waarom ze worteltrekken hebben moeten leren en waar ze het kunnen toepassen, is van minder belang.

Het 'voordeel' van fragmentatie is wel de schijn van objectieve leerstof die bovendien objectief getoetst kan worden. De gefragmenteerde kennis is een eigen leven gaan leiden en heeft nog maar weinig relatie met de werkelijkheid. Het maakt echter het toetsen wel wat eenvoudiger. De (vaak gereproduceerde) kennis kan in gesloten vragen gevangen worden, hetgeen ook weer leidt tot een schijn van objectiviteit. Dat studenten goede cijfers kunnen halen op onderdelen die zij nauwelijks in de werkelijkheid kunnen toepassen is van later zorg. Studenten zijn tevreden. Docenten zijn tevreden. "Students are learning to the test, teachers are teaching to the test". Dit kan zo ver gaan, dat heel veel tijd gestopt wordt in examentraining.

Zo wordt de toets een tweesnijdend zwaard: het stimuleert de studenten tot leren, maar tegelijkertijd leidt het ze van ware kennis af. Veel van de genoemde kenmerken van het behaviorisme vinden we nog terug in de dagelijkse onderwijspraktijk. De theorie van het behaviorisme blijft van betekenis bij het aanleren van automatismen en motorische vaardigheden. Het leren van automatismen en motorische vaardigheid is immers een duidelijk outputgerichte bezigheid.

1.2 Het cognitivisme

Mede onder invloed van de komst van de computer begon de psychologie zich in de jaren '60 te interesseren voor de processen die zich in het brein afspelen tijdens het leren. Het cognitivisme heeft een belangrijke bijdrage geleverd aan onze kennis over het verwerven en integreren van informatie en van de toepassing ervan. Begrippen als kort sensorisch geheugen (KSG), korte termijngeheugen (KTG), lange termijngeheugen (LTG) en werkgeheugen (WG) danken we aan deze stroming. Hieronder staat een model van de informatiestroom door de verschillende geheugens afgebeeld.

Stimuli uit omgeving

Duizenden stimuli bereiken het Kort Sensorisch Geheugen (KSG). Verreweg het grootste deel wordt automatisch weggefilterd. Door middel van 'aandacht' wordt een klein deel van de stimuli naar het Korte Termijngeheugen (KTG) getransporteerd.

Wanneer deze als 'belangrijk' worden gekwalificeerd kan een deel rechtstreeks naar het Lange Termijngeheugen (LTG) worden getransporteerd (bijvoorbeeld een telefoonnummer) of doorgestuurd worden naar het Werkgeheugen (WG). Als dit laatste gebeurt, wordt er reeds aanwezige kennis uit het LTG gehaald. De kennis uit het LTG (voorkennis) wordt geconfronteerd met de nieuwe informatie in het WG. Dit proces zou men 'denken' kunnen noemen. De informatie wordt als het ware bewerkt. Nu kunnen er drie dingen gebeuren:

  1. Er gebeurt niets, de nieuwe informatie wordt afgewezen.
  2. De nieuwe informatie wordt gezien als een toevoeging aan reeds aanwezige kennis en wordt als zodanig in het LTG opgeslagen (assimilatie).
  3. De nieuwe informatie brengt een wijziging aan in de reeds aanwezige informatie en wordt als gewijzigde kennis opgeslagen in het LTG (adaptatie).
    Dit model heeft nog steeds veel betekenis voor het onderwijs en voor de didactiek. Het besef dat een moeizame weg moest worden afgelegd, alvorens kennis in het LTG kon worden opgeslagen, leidde tot het inzicht dat een aantal herhalingen veel effectiever is dan het langdurig instampen van leerstof. Het heeft ook tot het belangrijke inzicht geleid dat het maken van taken direct na de instructie tot een snellere en betere verwerking en opslag van kennis leidt.

1.3 De belangrijkste bijdragen van het behaviorisme en het cognitivisme

Het behaviorisme heeft inzicht gegeven in een aantal automatische leerprocessen, die we onder de noemer 'conditionering' kunnen samenvatten. Deze theorie kan ons dan ook van goede dienst zijn bij het aanleren van automatismen en motorische vaardigheden. Het behaviorisme heeft ons ook inzicht gegeven in enkele sturingsprocessen die tot gewenst gedrag kunnen leiden. Belonen en straffen in de meest brede zin zijn hiervan voorbeelden.
Het cognitivisme heeft inzicht gegeven in de verwerkingsprocessen die in het menselijk brein plaats vinden. Het bracht ook het besef dat er sturingsmechanismen plaatsvinden die de inhoud en aard van deze processen bepalen. 'Aandacht' bijvoorbeeld blijkt een rol te spelen bij het doorsturen van informatie naar de verschillende geheugens.

Waar het behaviorisme en het cognitivisme zich niet of nauwelijks mee bezig hielden waren de sociale, emotionele en intentionele aspecten van het leren. Deze krijgen in de moderne leertheorieën wel de nodige aandacht.

Greeno (1993) merkte op de traditionele leerpsychologie zich vooral gericht heeft op lerenden die individueel leren door telkens weer kleine stukjes kennis en vaardigheden toe te voegen aan hun voorafgaande kennis en vaardigheden. Samen met andere vooraanstaande onderwijspsychologen aan het einde van de jaren '80 en het begin van de jaren '90 nam hij afstand van deze lijn. Zij gingen zich richten op het leren in context. Hierover meer in het volgende hoofdstuk.

2. Enkele leertheorieën die uitgaan van de mens in zijn sociale context.

2.1 De handelingspsychologie

Waar de hierboven beschreven leertheorieën ervan uitgaan dat kennis die het kind nodig heeft om betekenis te verlenen aan de wereld om zich heen vooral wordt overgedragen (door ouders, leraren), stelt Vygotsky (1978) dat de cognitieve ontwikkeling vooral afhankelijk is van de interactie van het kind met de mensen in zijn wereld. De kennis, ideeën, normen en waarden van het kind ontwikkelen zich door deze interactie. Met andere woorden: de cultuur waarin het kind opgroeit, geeft vorm aan de cognitieve ontwikkeling van het kind. De cultuur bepaalt wat en hoe en het kind zal leren over de wereld om hem heen. Een belangrijke factor hierbij is de taal. Niet alleen stelt taal mensen in staat zich uit te drukken en vragen te stellen, maar taal vormt ook categorieën en concepten.
Vygotsky was van mening dat de cognitieve ontwikkeling van een kind voortvloeit uit de interactie, waaronder de dialoog, tussen het kind en meer ontwikkelde leden van zijn cultuur, zoals volwassenen en sommige andere leeftijdgenoten. Deze mensen maken het mogelijk dat het kind een intellectuele groei doormaakt.
Voor het onderwijs zijn op basis van de handelingspsychologie vier principes geformuleerd die nader vorm kunnen geven aan de dialoog binnen opvoeding en onderwijs (Boekaerts & Simons, (1995):

  1. Het principe van interiorisatie: uitwendige handelingen worden geïnternaliseerd tot mentale handelingen.
  2. Het principe van de zone van naaste ontwikkeling: Onderwijs en opvoeding moeten zich richten op waar een kind nog net niet zelfstandig toe in staat is. Alleen met behulp van bijvoorbeeld een ouder of leerkracht lukt het.
  3. Het principe van de centrale rol van de volwassene: met behulp van de volwassene voert het kind de taken in de zone van naaste ontwikkeling zo zelfstandig mogelijk uit. Het volwassene draagt derhalve geen kennis over maar heeft een mediërende rol.
  4. Het principe van de sociaal-communicatieve oorsprong van mentale handelingen: de ontwikkeling van het mind verloopt niet alleen via de dialoog ouder-kind, maar ook via de dialoog kind-kind.

Volgens Moskowitz (1978) leren ouders hun kinderen spreken op basis van het principe van de zone van de naaste ontwikkeling. Uit zijn onderzoek blijkt dat ouders de taalfouten die hun kinderen maken niet corrigeren, maar hun taalgebruik aanpassen aan dat van hun kinderen. In werkelijkheid verhogen zij bijna instinctief het niveau van hun spreektaal tot net boven dat van hun kinderen naarmate deze progressie maken in hun taalvaardigheid. Vermoedelijk zouden kinderen het opgeven te willen leren spreken als ouders hen steeds op hun fouten zouden wijzen.

Inde middeleeuwen werd door de gilden het zogenaamde meester-gezel model gehanteerd als onderwijsmodel. Dit model kende vergelijkbare principes, maar was vooral gebaseerd op observeren en imiteren. Vygotsky legt de nadruk op taal. Met behulp van taal kunnen geobserveerde handelingen cognitief worden geïnternaliseerd.
De Russische handelings-psychologie heeft in de jaren '80 grote invloed gehad op ons onderwijskundig denken.
Het is dan ook niet vreemd dat aan het einde van de jaren '80 een nieuwe leertheorie werd geformuleerd die veel meer uitgaat van het leren in context: situationeel constructivistisch leren.

2.2 Situationeel constructivistisch leren

In de vorige paragraaf is denken gedefinieerd als het confronteren van nieuwe informatie in het werkgeheugen met reeds aanwezige kennis uit het lange-termijngeheugen. Denken vindt echter ook plaats als er gereflecteerd wordt op kennis die reeds aanwezig is.

Door te reflecteren op reeds opgedane ervaringen structureert of modelleert het individu de omgeving. Daarom is het belangrijk dat leren plaats vindt in een authentieke context (Brown, Collins, & Duguid, 1989). Mensen kunnen slechts betekenis ontlenen aan een ervaring als de omgeving deel is van die ervaring (Duffy & Jonassen, 1992). Als wij willen dat er
betekenisvol leren plaatsvindt in ons onderwijs, dan is het van essentieel belang dat het leren niet wordt gedecontextualiseerd. Resnick (1987) wees er al op dat het leren op school vaak leidt tot weinig toepasbare kennis. Om de waarde van het leren in authentieke situaties te onderstrepen wijzen Kirshner & Whitson (1997) op de geweldige kennis en vaardigheden die minder geschoolde mensen vaak hebben in alledaagse situaties.

Tegen de achtergrond van een onderwijssysteem dat maar al te vaak faalt studenten te inspireren tot het ontwikkelen van complexe competenties, staat daar de marktkoopman zonder al te veel formele opleiding, die zich weet te handhaven door efficiënt en klantgericht in te kopen, zijn waren weet te slijten door wervend te communiceren, vlot weet te rekenen en zijn klanten weet te binden.
Dit complexe competentieprofiel heeft hij in de werkelijk van alledag ontwikkeld. Antropologen als Nunes, Schliemann, & Carrahar (1993) onderzochten wiskundige toepassingen op straat, Lave (1988), bijvoorbeeld, het winkelen in de supermarkt en kwamen tot soortgelijke conclusies.

Onderzoek levert voldoende bewijs op dat leren in context tot kennis leidt die minder gefragmenteerd is, beter toepasbaar en vooral ook vaak leuker is om te verwerven. Duizenden jaren lang hebben mensen geleerd in een sociale, authentieke omgeving.
De Verlichting bracht ons echter het dualisme lichaam-geest. Door de wereld van de geest te beschouwen als losstaand van de materiele werkelijkheid en dientengevolge van de socioculturele context, zijn wij de kennis die wordt opgedaan door de ervaringen die wij opdoen in de alledaagse werkelijkheid als inferieur gaan zien ten opzichte van de geabstraheerde, contemplatieve denkprocessen.
De handelingspsychologie, het constructivisme en het sociaal constructivisme brengen lichaam en geest weer bij elkaar. Denken en doen staan niet los van elkaar. De mens is onderdeel van een sociaal georganiseerde omgeving en kan ook daar niet los van gezien worden.

3. De metacognitieve leertheorie en regulatie van leerprocessen

Het cognitivisme en de handelingspsychologie waren geïnteresseerd in de processen die bij de mens leidden tot kennisverwerving. Als zodanig waren zij procesgericht. Deze belangstelling voor de denkprocessen leidde er toe dat er een nieuwe leertheorie ontstond: de metacognitie, vrij vertaald door denken over denken.
De metacognitieve leertheorie houdt zich bezig met de kennis en opvattingen die mensen hebben over hun cognitief functioneren, waaronder niet alleen wordt verstaan de wijze waarop zij denken, maar ook de wijze waarop zij hun denkprocessen sturen (Bruning, Schraw & Ronning ,1995). Metacognitieve kennis is noodzakelijk om nieuwe kennis te verwerven. En of kennis effectief verworven wordt is afhankelijk van de intenties, inzet van leerstrategieën, bewaken van het leerproces en het verlenen van betekenis door de lerende zelf (Resnick, 1987).
De lerende moet dus zelf zijn eigen kennis construeren. Kennis die door de docent wordt overgedragen, representeert louter de wijze waarop de kennis bij de docent zelf is geconstrueerd. Dit bevestigt ook de leertheoretische opvatting van de handelingspsychologie. In de zone van naaste ontwikkeling construeren de leerlingen zelf hun kennis, de docenten bieden in deze zone vooral hun ondersteuningsstructuur.


4. Het (sociaal) constructivisme

Het constructivisme benadrukt de actieve rol van de lerende bij het verwerken van informatie en het verwerven van kennis. Het belang van een actieve rol wordt bevestigd vanuit de neurobiologie (zie ook het leerproces).

Het constructivisme vindt zijn wortels in het werk van Piaget, de Gestalt-psychologen Bartlett en Bruner, en in de onderwijsfilosofie van John Dewey. Er is geen eenduidige constructivistische leertheorie. Sommige constructivisten leggen vooral nadruk op de sociale constructie van kennis, andere vinden het sociale aspect minder belangrijk. In de onderwijspsychologie wordt het constructivisme vaak in de volgende drie categorieën onderverdeeld:

  1. het exogeen constructivisme: de aandacht gaat vooral uit naar de manieren waarop mensen de omringende wereld reconstrueren door het construeren van mentale representaties van die werkelijkheid. Kennis is dus een weerspiegeling van de externe wereld. Kennis is dus objectief. Een voorbeeld van exogeen constructivisme zijn informatieverwerkingsprocessen zoals hiervoor beschreven in hoofdstuk 3.
  2. het endogeen constructivisme: er wordt vanuit gegaan dat nieuwe kennis wordt geabstraheerd van oude kennis Kennis ontwikkelt zich door aanpassing van oude kennis aan nieuwe situaties. Kennis is dus geen weerspiegeling van de externe wereld.
    Kennis is derhalve subjectief. Een voorbeeld van endogeen constructivisme vinden we in
    Piaget's fasentheorie van cognitieve ontwikkeling.
  3. het dialectisch (sociaal) constructivisme: deze staat tussen beide in. Kennis ontstaat door interacties van interne (cognitieve) factoren en externe (omgevings- en sociale factoren).

Een voorbeeld van dialectisch constructivisme vinden we bij Vygotsky, waar deze beschrijft hoe cognitieve ontwikkeling plaats vindt door internalisering en gebruik van cultureel gereedschap in een sociale omgeving (Bruning, Schraw, & Ronning, 1995). Wat kennis is wordt bepaald door "communities of practice", praktijkgemeenschappen (Lemke, 1997) en is derhalve intersubjectief van aard.

De praktijkgemeenschappen brengen ons weer terug naar het vorige hoofdstuk over situationeel leren. In een praktijkgemeenschap ontmoeten experts (bijvoorbeeld leraren) en novieten (bijvoorbeeld leerlingen) elkaar. De novieten komen in een soort meester-gezel situatie, waar de experts voor hen model staan bij de uitvoering van taken die belangrijk zijn voor de betreffende praktijkgemeenschap. Door te zien en te horen hoe de experts denken en handelen vormen de novieten een mentale representatie van het gedrag van de expert. Deze representatie dient als kader waarbinnen het te leren gedrag kan worden geplaatst.
Een voorbeeld is bijvoorbeeld een kappersvakschool. De leerlingen beginnen met enkele dagen een deskundige kapper te observeren. Hierdoor vormen zij zich een beeld van de taken die een kapper moet uitvoeren. Dit beeld dient als kader waarbinnen kennis en vaardigheden die nodig zijn in de praktijkgemeenschap van kappers kunnen worden ingebed.

Vanaf het begin van de mensheid hebben mensen zich sociaal en in gemeenschappen georganiseerd. In zogenaamde primitieve samenlevingen ziet men ook nu nog dat kinderen in hun gemeenschap leren door het observeren en imiteren van hun ouders en stamgenoten. Over wat zij doen, wordt met hen door middel van taal gecommuniceerd. Wat kennis is en dus als waarheid wordt ervaren, is afhankelijk van de normen, waarden en inzichten binnen die gemeenschap. Het is dus mogelijk dat kennis buiten een bepaalde praktijkgemeenschap geen waarde heeft.

Kennis wordt niet alleen individueel geconstrueerd, maar wordt ook steeds weer gespiegeld aan de opvattingen van anderen. Kennis komt tot stand door interpretatie van informatie. Omdat interpretatie afhankelijk is van de voorkennis en associaties van lerenden is deze per definitie subjectief van aard. Door eigen kennis te spiegelen aan de kennis van anderen wordt deze niet alleen verrijkt, maar bereikt deze een hogere mate van intersubjectiviteit. Een binnen een praktijkgemeenschap gedeelde opvatting, kan dan als objectieve waarheid worden ervaren.

Uit: H.P.J. Witteman, Oude didactiek past niet in nieuwe onderwijsvisies (2001).
Klik hier voor het hele artikel.

Vorige paginaDit artikel mailenGeschiedenisDit artikel printenNaar boven